21.6.09

Vaderdag

Julia woonde in Rotterdam en in 1940 kwam haar moeder om bij het bombardement en verhuisde haar vader met zijn vier kinderen naar zijn zus in een dorpje in de Alblasserwaard. Haar tante was met een landarbeider getrouwd en zijn baas kon nog wel een knecht gebruiken en ze kregen onderdak in een klein arbeidershuisje bij de boerderij. Als oudste van het gezin kreeg zij de taak om voor hun gezin te zorgen en moest mee de kost verdienen met het melken. Daar op het platteland werd in de oorlogsjaren geen echte honger geleden maar toch waren het moeilijke jaren. Ze werd misbruikt door haar oom en durfde er met niemand over te praten omdat ze bang was dat als haar vader het zou geloven, het spanningen in de familie zou geven en ze weer zouden moeten verhuizen en dat wilde ze haar broer en zusjes niet aandoen.
Haar vader voelde wel dat er iets was en had een vermoeden, maar sprak het niet uit. Toen Julia zwanger bleek van haar oom weigerde ze de verwekker te noemen. Julia werd naar een andere tante gestuurd om te bevallen en de schande in het dorp te ontlopen. Haar vader besloot ander werk te zoeken maar als een moederloos gezin kom je niet zomaar ergens aan werk. Via een collega kwam hij in contact met een vrouw wiens man op de Grebbenberg gesneuveld was. Ze besloten samen verder te gaan en hij kon werk krijgen in een dorp langs de Maas in Limburg. Het was een moeilijke start met een nieuwe baan, een nieuwe relatie en zeven kinderen die aan elkaar moesten wennen en daar Julia met een zoontje tussen. Julia was gewend voor het huishouden te zorgen maar haar stiefmoeder ook en dat gaf best wel spanningen. Julia wilde zelf voor haar zoon, broer en zusjes zorgen en verdiende de kost door ’s avonds in een café te gaan werken als de kinderen sliepen. Overdag deed ze verstelwerk op de naaimachine van haar moeder die ze als enige aandenken uit Rotterdam hadden meegenomen.

Romeo was geboren in Gouda en werkte als timmermansleerling in de stad toen de oorlog uitbrak. Hij hield van zijn vak en werd zeer gewaardeerd door zijn baas en de klanten. Op een gegeven moment werd hij opgepakt en in Duitsland te werk gesteld. Hij kwam terecht in een machinefabriek in Keulen en werd in een barakkenkamp gehuisvest. Daar had hij het slechter dan zijn leeftijdsgenoten die op het platteland werkten en bij boeren waren ondergebracht. Toen de geallieerden begonnen met de Duitse steden te bombarderen kreeg ook Keulen zijn deel en werden de dwangarbeiders ingezet bij het bergen van de lijken uit het puin en liepen zelf niet alleen gevaar door de bommen maar ook door de besmettelijke ziektes die in de stad waren uitgebroken. Er was geen contact mogelijk met je familie in je vaderland.
Ze werden bevrijd door de Engelsen en Canadezen en omdat het openbaar vervoer plat lag werden ze als groep Nederlanders lopend naar huis gestuurd, maar bleken bij de grens niet welkom en werden als tweederangs burgers gezien die met de vijand geheuld hadden. In Vaals was een nonnenklooster van de zusters der liefde en daar werden ze wel vriendelijk ontvangen. Als hervormde kreeg hij waardering voor de zorg en liefde die de nonnen vanuit het katholieke geloof gaven. Voor het eerst in lange tijd kon hij weer douchen en op een normaal bed slapen en na een weekje waren alle papieren in orde en konden ze verder naar het noorden langs de Maas.

Julia had net weer een aanvaring gehad met haar stiefmoeder toen ze voor het huis stond en die stoet mannen in colonne voorbij liepen en op het marktplein gingen rusten. Ze wilde hier weg en bedacht dat dit een mogelijkheid was. Ze bekeek de mannen en zag er iemand tussen die haar wel wat leek en ze stapte zo maar op hem af en vroeg: wil je met me trouwen. Verbaast keek Romeo haar aan, dacht even na en zei toen: Ja. Na een kwartier, waarin ze vertelde over haar zoon, liepen ze naar het gemeentehuis en gingen in ondertrouw en na zes weken waren ze getrouwd.
Omdat hij zich niet erg welkom voelde in zijn oude omgeving en ook zijn familie geen oor had voor zijn verhalen over de ontberingen in het werkkamp, besloten ze elders een nieuw leven op te bouwen en werd hij timmerman op een Zuid-Hollands eiland. Ze hadden het goed samen en kregen samen nog twee kinderen en de naaimachine van haar moeder deed goed werk.

Ik leerde hen kennen vanwege mijn werk als huisarts en hoorde hun verhaal toen ik hen na hun vijftigste huwelijksdag opzocht. Er was dan geen echte verliefdheid geweest maar de liefde had hen altijd verbonden. Hij had een chronische ziekte.
Op een dag zag ik hem ondanks zijn hoge leeftijd op een ladder staan klussen aan zijn huis. Ik vroeg waarom hij dat deed. Hij antwoordde dat hij nog maar tien dagen had en het huis in goede staat voor Julia wilde achterlaten. Ik begreep hem niet en vroeg om uitleg. Hij vertelde dat de specialist hem destijds verteld had dat je met zijn ziekte nog wel twintig jaar kon leven en dat die tijd nu bijna om was. Zonder duidelijke oorzaak stierf hij inderdaad na tien dagen.

Vanmorgen vroeg kwam ik op het kerkhof de zoon van Julia , inmiddels al 67 jaar, tegen met een grote bos bloemen en toen ik hem aankeek zei hij: het is vaderdag vandaag.